Geschiedenis van de Oud Hollandse Tuimelaar

Printervriendelijke versie

De oorsprong der Oud-Hollandsche Tuimelaars is niet meer vast te stellen, Dankzij de waamemingen en aantekeningen van Ullyssces Aldrovandi, een aan Europa's oudste universiteit die van Bologna verbonden Italiaanse geleerde weten we dat er in de 16e eeuw reeds tuimelaars hier te lande bestonden, hier een opsomming der hier te lande aanwezige duivenrassen opgetekend uit de mond van een Hollander uit die tijd, vermeldt Aldrovandi in diens in 1599 gepubliceerd werk zowel overslagers als drayers. met welke laatste de ringslagers bedoeld worden, Jammer genoeg is zijn beschrijving van de vliegwijze der overslagers en nog minder het motief van hun vliegen is het pronkzucht tegenover duivinnen juist.. Ook Gustav Prutz wijst daarop reeds in zijn meer dan 80 jaar terug gepubliceerd geÔllustreerd prachtwerk '.Muster Taubenbuch.., Daar Aldrovalldi reeds op het einde der 16e eeuw een groot aantal duivenrassen en een levendige duivenliefhebberij in Nederland aantrof, mag daaruit worden afgeleid dat het houden van rasduiven toen reeds lang in ons land gebruikelijk was.

Het is bekend, dat de Hollanders als scheepsvaarders een grote rol hebben gespeeld in het verbreiden van rasduiven! Doch verkeerdelijk denkt men wel eens. dat ZIJ ook de duivenliefhebberij over Europa hebben helpen verspreiden. In werkelijkheid zijn de kruistochten, die hoofdzakelijk van 1096 tot 1270 plaats vonden. daarop het meest van invloed geweest Door de onrustige tijden welke toen volgden bleef de werkelijke bloei achterwege, waardoor van grote welvaart geen sprake kon zijn. Die kwam eerst in de 16e eeuw. Ware het niet. dat men in de middeleeuwen in vele kloosters duiven fokte. zo zou er van het meegebrachte materiaal veel verloren zijn gegaan, Ook het zich na de kruistochten ontwikkelende handelsverkeer met ArabiŽ en PerziŽ was oorzaak dat van daar allerlei rasduiven naar Europa kwamen. De Duivenrassen hebben Europa langs de toen bekenden handelswegen zowel te land als ter zee bereikt. Alleen hebben de Hollanders aan het laatste een zeer belangrijk aandeel gehad, Om een denkbeeld te geven van de verbreiding der duivenrassen moge dienen, dat Konrad Geszner in zijn boek" historia animalim ", dat in 1555 te Zurich het licht zag in hoofdzaak van veldduiven en tamme Slagduiven en van de laatste als ondersoorten noemt de Welsch-duiven de ruigpotige Russische of Ghoszlet-duiven, Rudolf Heuszlin, die in 1588 een Duitse vertaling van Geszner Latijns werk liet zien kende een paar rassen meer, Georg Horst die in 1669 (Jerszner' s boek opnieuw beschreef, kende reeds meerdere rassen wat begrijpelijk is. daar AldrovandÔ s boek reeds 70 jaar eerder was verschenen. Hij noemt o.a, Pauwstaarten. Kroppers. Raasheren. Bagadetten enz en beschrijft tuimelaars met de volgende woorden: "Een bijzondere soort duiven wordt door de Hollanders .'Tuimelaars" en door de onzen "Tummlers" genoemd, wijl ze in de snelste vlucht vaak 4 tot 6 maal geheel overslaan(tuimelen).

In grootte zijn ze als veldduiven, in kleur uiteenlopend blauw, leverkleurig, zwart wit en soms geel. Dikwijls hebben ze witte slagpennen en zijn ze op de vleugels en staart met wit vermengd." Dank deze aantekeningen uit 1669 weten we vrijwel zeker dat de door Aldrovalldi 1599 beschreven wel degelijk de Oud Hollandsche Tuimelaars zijn geweest, doch hun vliegwijze verkeerd is beschreven. Francis Willoughby beschrijft in diens werk uit 1676 diverse rassen, namelijk Percussures (draaiers) en Gyratrices (tuimelaars). waarvan hij o.a het volgende zegt: "Zij zijn klein van verschillende kleuren, voeren tijdens de vlucht in de lucht wondere bewegingen uit, doordat ze achterover over de kop tuimelen. zodat ze op een vederbal of wegslingerende kogel lijken."

John Moore geeft in diens in 1735 uitgekomen boek een vrij belangrijke beschrijving van de Oud hollandsche Tuimelaar uit die tijd. Na eerst van de Tuimelaars te hebben gezegd, dat het een kleine duif is; kort van lichaam; vol van borst; dun van hals; met een spitsvormige snavel en met een korte knopvormige kop en oog-irissen van levendige parelkleur. Ik heb de oudste mededelingen omtrent de Oud Hollandse Tuimelaar zo volledig mogelijk gegeven, zelfs vollediger dat ze tot dusverre in beschrijvingen van dit nationale ras te vinden zijn, omdat we met zo groot mogelijke overtuigingswaarde onze stelling willen verdedigen, dat wat we thans de Oud Hollandse tuimelaars noemen de stamvorm is van de vele thans bekende andere tuimelaars met bevederde voetveren. De vermaarde Engelse duivenkenner J.C., Lyell, vertelt in zijn in 1886 uitgegeven boek 'Fancy Pigeolls.' omtrent de Oud Hollandse Tuimelaars dat ze eenkleurig in zwart-rood en geel zijn met zwaar bevederde benen en voeten en beschrijft ze als zeer goede vliegers en tuimelaars. Nadat in de oude werken over duiven de vedervoetige tuimelaars uit holland vermeld zijn en het ras als een der belangrijkste werd beschouwd, verdween het uit de duivenliteratuur, zelfs behoudens een enkele uitzondering uit die de vorige eeuw. Noch de vooraanstaande 19e eeuwse Duitse en Engelse duivenkenners kenden dit eeuwenoude vedervoetige tuimelaar ras dat de grondslag van de vedervoetige tuimelaarrassen van hun respectievelijke landen had gediend en waarvan nog duizenden exemplaren in Amsterdam voorkwamen. De hoofdoorzaak was dat de Oud Hollandsche Tuimelaar bijna uitsluitend in Amsterdam werd gehouden. slechts in enkele opzichten op een show te zien was. Dat komt omdat er geen studie van gemaakt werd oor de deze duiven door persoonlijke kennismaking hier ter lande, Kort na de vorige eeuw 1850 beleefde de liefhebberij voor de Oud hollandsche Tuimelaars tui een zeer grote bloeiperiode door. Zodra de tentoonstellingen ook hier in Nederland haar intrede deden verschenen ook daar regelmatige Oud Hollandsche Tuimelaars. Buiten Amsterdam had Groningen nog de meeste belangstelling voor dit ras, door het inzenden van tentoonstelling buiten Amsterdam kwam dit ras meer op de voorgrond en werden daarom nieuwe liefhebbers voor het ras verworven. De moeilijkheid van dit ras was naar de zin van de Amsterdammers gekeurd te krijgen, want buiten Amsterdam woonde weinig kenners van dit ras. De eerste keurmeester die belangstelling voor het ras had was La Bastide. Hij schreef ook wel eens over dit ras. Repelius, de voornaamste Nederlandse duivenkeurmeester uit het einde van de vorige eeuw en beging deze eeuw, ging na 1900 het ras zelf houden om zicht er mee vertrouwd te maken. De heer Pel, ook een vooraanstaand keurmeester uit het beging van deze eeuw was met de Oud Hollandsche Tuimelaars goed vertrouwd. In 1909 belaste hij zich met de samenstelling van een standaard voor dit ras, waarvoor hij een drietalontwerpen gemaakt door Amsterdamse liefhebbers en bekroond in een prijsvraag, uitgeschreven op initiatief van N. Wafelbakker, de bekende sierduivenliefhebber in de duivensport van het begin dezer eeuw, Er waren in Amsterdam wel goede kenners van het ras doch traden niet op als keurmeesters. De heren Mayssen Gosse maakte daarop een uitzondering, Ook leefde toen een zekere P.H. de Vries ook bekend als Holle Kropper fokker, hij was slechts met veel moeite te bewegen om als keurmeester op te treden. Ook Nandorff die een goed ingerichte duivenhandel had en evenals Telling, zowel een goed liefhebber als een eerlijk duivenhandelaar was, trad wel eens als keurmeester op. Moge erin het begin der vorige eeuw al een bijzondere bloeitijd voor de Oud Hollandsche tuimelaars hebben bestaan, dan betekende dit nog niet dat het ras op een hoop peil stond, met al zijn variŽteiten. Men bedenkt dat de Oud Hollandsche Tuimelaars toen voor vliegdoeleinden werd gehouden werden en minden op het uiterlijk geteld. Een vast omlijnde standaard had men niet, Er werd omstreeks 1900 heftig gediscussieerd over een koper Blauwwitstaarten hoe of deze ruigpoot of sokpoot wel of niet moest zijn. Kort daarop trad er verandering in, men ging meer letten op de fijnere punten van de Oud Hollandsche Tuimelaars Tevens kwam er toen meer eenheid onder de fokkers., Daar hebben de heren Balsing-Rietbergen La Croix veel toe bijgedragen tot het veredelen van de Oud Hollandsche Tuimelaars. In 1912 werd er een vereniging opgericht, in december. De eerste show werd gehouden in " Frascati " gedurende de kerstdagen. Er kwamen daar hoogst 30 Oud Hollandsche Tuimelaars in de kooien maar zoets moois had men toen nog nooit gezien. En zo is de Oud Hollandsche Tuimelaars ooit gegroeid tot een mooi Nederlands ras en komen nu veelvuldig voor op diverse shows in de kooien.

Tekst: B.J. Geyssen